In dit werk ontvouwt zich een innerlijke reis van buiten naar binnen, in drie bewegingen. Wat begint met een uitgestoken hand, wordt een zoekende blik, en eindigt in een houding die de stroom laat spreken. De figuren tonen geen verhaal maar een bewustzijnstoestand: eerst de roep om hulp, dan het zoeken naar richting, uiteindelijk de rust waarin inzicht kan ontstaan.
De grote handen aan de randen — de ene dragend, de andere wijzend — weerspiegelen de krachten die ons vormen. Soms zacht en uitnodigend, soms scherp en richtinggevend. In hun nabijheid verschijnen tekens: een kind dat herinnert aan wie we worden, een zittende poedel, een ring met gewicht en belofte.
Hier is beweging betekenis. De puls die ons voortstuwt, is ook het ritme dat ons terugroept naar binnen. Tussen impuls en wat ons van buitenaf stuurt, tussen verlangen en druk, nodigt dit werk uit tot een terugkeer naar de plek waar richting helder wordt.








